Methodologie

1 Inleiding: Belgische energierevolutie

Eind 2016 publiceerden Greenpeace, WWF en Bond Beter Leefmilieu Our Energy Future, een becijferd scenario voor de Belgische energierevolutie, ingebed in een Europese netwerkstudie. De hoofdlijnen van Our Energy Future werden zowel op de klimaattop in Parijs als in het recente Energiepact bevestigd: fossiel en nucleair moeten plaatsmaken voor hernieuwbare energie, met een beperkte rol voor biomassa. Om die transitie mogelijk te maken, kunnen we tijdelijk – reeds gekende – gasvoorraden aanspreken.
Deze studie vormt de basis voor het Greenpeace klassement van stroomleveranciers. De score die elke energiebron krijgt, volgt uit de visie van Our Energy Future en ligt daarmee volledig in lijn met de rol van deze energiebron in de energierevolutie.

2 Gebruikte cijfers bronnen

Greenpeace vraagt aan alle leveranciers gegevens over hun garanties van oorsprong, productie, aankopen en investeringen. Deze gegevens vormen de basis van het klassement en worden gecontroleerd en aangevuld met informatie uit onder meer de databank van Enerdata, het Brandstofmixrapport van de VREG en de jaarrapporten van leveranciers. Indien leveranciers geen gegevens doorgeven, baseren we ons volledig op publiek beschikbare informatie.
Voor de berekening van het klassement van 2018 gebruiken we de gegevens van 2017, zodat we over voldoende informatie beschikken. Leveranciers die pas in de loop van 2018 actief zijn geworden, zijn hierdoor niet opgenomen in deze editie. Voor bedrijfsgroepen met één of meerdere in Belgische (of in België actieve) dochters, worden de cijfers voor de volledige bedrijfsgroep bekeken.
Voor het onderdeel Mix op de factuur wordt enkel rekening gehouden met Belgische cijfers, voor Aankopen tellen de Belgische cijfers plus 50% van de aankopen buiten België mee (vanaf 2019 wordt dit 100%), terwijl voor Productie en Investeringen alle capaciteit in Europa meegeteld wordt.

3 Scoring van de energiebronnen

Energiebronnen worden ingedeeld in vier categorieën op basis van hun impact op klimaat en milieu, rekening houdend met onder meer CO2-uitstoot en afval. Elke energiebron krijgt zo een score op 5. Een gedetailleerde beoordeling van elke energiebron wordt gegeven in de appendix.

Energiebron
CO2
Milieu
Score /5
Fotovoltaïsche cellen
++
+
5
Geconcentreerde zonne-energie
++
+
5
Wind (onshore / offshore)
++
+
5
Waterkracht op rivier
++
+
5
Biogas uit rioolslib of equivalent
++
+
5
Kleinschalige waterkracht ≤10 MW
++
+/-
5
Grootschalige waterkracht >10 MW
++
-
2,5
Biomassa ≤20 MW (WKK)
+
+/-
2,5
Gas (met WKK)
-
+
2,5
Afvalverbranding
-
+/-
1,5
Biomassa >20 MW (WKK)
+
--
1,5
Gas (zonder WKK)
--
+/-
1,5
Kernenergie
+/-
--
0
Biomassa >20 MW (bijstook)
--
--
0
Stookolie
--
--
0
Steenkool/Bruinkool
--
--
0

4 Berekening score energieleverancier

 

Iedere leverancier in dit klassement krijgt een score op 20, op basis van de subscores voor de geleverde stroom (35%), investeringen (50%) en mix op de factuur (15%).

Geleverde stroom

De geleverde stroom omvat de eigen productiecapaciteit en de stroomaankopen van een leverancier en is goed voor 35% van de punten. Garanties van oorsprong worden niet meegerekend voor dit onderdeel.
De productiecapaciteit is de som van het vermogen van alle elektriciteitsinstallaties die de leverancier in Europa bezit. Een leverancier kan ook stroom aankopen bij een producent of op de elektriciteitsmarkt. Voor rechtstreekse aankopen wordt de score van de betreffende energiebron gebruikt. Aankopen op de Europese elektriciteitsmarkt (of waarvoor de bron niet bekend is), worden gescoord op basis van de mix op die markt voor 2017, zoals meegedeeld door ENTSO-E. De score hiervan bedraagt 1,65 op 5.

Investeringen

De helft van de punten vallen te verdienen op de investeringen in bijkomende capaciteit. Dit is voor Greenpeace het belangrijkste luik, omdat dit de richting bepaalt waarin de leverancier zal evolueren. Klanten hebben bovendien het recht te weten welke keuzes hun leverancier maakt voor de toekomst.
Voor investeringen wordt telkens gekeken naar de grid connection, of het moment waarop de capaciteit stroom begint te leveren aan het net. Hierbij onderscheiden we nieuwe (grid connection tot 31 december 2017) en geplande (grid connection vanaf 1 januari 2018) investeringen. Afhankelijk van de energiebron beschouwen we een andere tijdsperiode, omdat ook de investeringscyclus hiervoor verschilt: voor kerncentrales kijken we tien jaar voor- en achteruit, voor steenkool-, bruinkool- en oliecentrales vijf jaar, en voor alle andere energiebronnen 2 jaar. Bovendien brengen we ook de desinvestering (d.w.z. definitieve sluiting) van steenkool-, bruinkool- en kerncentrales in rekening die in 2016-17 uit bedrijf zijn genomen.
Indien het volume van de investeringen heel laag is ten opzichte van de grootte van de leverancier, telt de score van de geleverde stroom mee voor de investeringsscore. Via zijn aankopen oefent een leverancier namelijk invloed uit op de investeringsbeslissingen van een stroomproducent. Een leverancier die helemaal niet investeert, bijvoorbeeld een pure trader, kan zo maximaal 15 op 20 behalen, en dit wanneer de geleverde stroom en mix op de factuur perfect scoren. Dit weerspiegelt het belang van investeringen in extra hernieuwbare energie in de visie Our Energy Future.

Mix op de factuur

Bij de mix op de factuur kijken we naar de geleverde elektriciteit via het distributie- en transmissienet aan alle Belgische klanten (ook niet-huishoudelijke klanten). Dit onderdeel telt voor 15% van de punten en kijkt naar de Garanties van oorsprong (GOs) voor hernieuwbare energie en de brandstofmix voor niet-hernieuwbare energie, zoals gerapporteerd aan de Belgische regulatoren en weergegeven op de stroomfactuur. GOs zijn omstreden omdat ze het mogelijk maken om niet-hernieuwbare stroom ‘groen te wassen’ (zie begrippenlijst).
Dit klassement hanteert waar nodig de gegevens van de VREG voor heel België, omdat deze voor 2017 de meest recente informatie heeft gepubliceerd en er geen equivalente gegevens voor Brussel en Wallonië beschikbaar zijn. Indien een leverancier zijn mix differentieert per gewest, kan hij dit ook zo doorgeven. Greenpeace gebruikt één mix per leverancier, de leveranciersmix, en niet de productmix per stroomproduct.

5 Appendix: toelichting score per energiebron

Kernenergie

Kernenergie krijgt de laagste score door de zeer zware impact op het milieu. Er is niet alleen het ‘geplande’ kernafval dat honderdduizenden jaren enorm giftig blijft en waarvoor nog steeds geen oplossing bestaat, maar zware kernongevallen als Tsjernobyl en Fukushima tonen dat deze technologie grote gebieden voor lange tijd onbewoonbaar kan maken. Het reële risico op een ongeval is bovendien veel groter dan geschat in de theoretische modellen die de nucleaire sector hanteert (één keer per decennium vs. eens om de 250 jaar). Dit risico stijgt ook naarmate de bestaande reactoren verouderen en hun geplande levensduur overschrijden.
Tot slot blokkeert nucleaire energie de ontwikkeling van flexibele, hernieuwbare energiebronnen. Leveranciers die nog langer investeren in de bouw van nieuwe reactoren, of de levensduurverlenging van bestaande, krijgen dan ook een negatieve badge.

Stookolie

De verbranding van olie voor elektriciteit en transport zorgt voor een groot deel van de CO2-uitstoot. De vele olielekken die lokale en regionale ecosystemen zwaar beschadigen (Siberië, Nigeria, Golf van Mexico) en het verhoogde risico op vervuiling van mariene ecosystemen door olietransport (bv. Exxon Valdez en Erika) wegen extra op het milieu.
Olie is geen brandstof voor de toekomst en krijgt daarom de laagste score. Leveranciers die betrokken zijn bij de exploratie naar nieuwe oliebronnen of bij de ontginning van extreme soorten zoals teerzanden of boringen in het noordpoolgebied, krijgen bovendien een negatieve badge.

Steenkool

Steenkoolcentrales stoten naast enorme hoeveelheden CO2 ook andere dodelijke gassen en gifstoffen uit (onder meer cadmium, lood, NOx, SO2, O3,…). Deze stoffen zijn verantwoordelijk voor premature sterfte en verschillende kankers. Steenkool krijgt dan ook terecht de laagste score.
Leveranciers die nog steeds investeren in nieuwe steenkoolcentrales krijgen bovendien een negatieve badge.

Biomassa

Biomassa beoordelen is moeilijk want het is een heel diverse energiebron, gaande van rioolslib over landbouwafval en voedselresten tot volledige boomstammen verwerkt in pellets. De mogelijke impact op milieu en klimaat zijn sterk afhankelijk van de gebruikte grondstof en ook de oorsprong van de biomassa in een centrale is niet altijd duidelijk.
Daarom is de beoordeling in zekere zin een vereenvoudiging van de werkelijkheid, maar aan de basis ervan liggen volgende principes:

Cascade – Biomassa dient, waar mogelijk, in de eerste plaats gebruikt te worden om de vruchtbaarheid van de bodem te bevorderen. Vervolgens komen gebruik als voedsel, diervoeder en CO2-opslag. De opwekking van energie uit biomassa komt pas op de laatste plaats. Opnieuw is dit sterk afhankelijk van de grondstof die gebruikt wordt.

Kleinschalig – Bij voorkeur wordt biomassa verwerkt dicht bij de plaats van productie en op kleine schaal. We hanteren hierbij 20 MW als grens tussen kleinschalige en grootschalige projecten. Dit niveau is indicatief en kan in overleg met de leverancier aangepast worden (voornamelijk voor projecten in het buitenland).

Bijkomend – Het gebruik van biomassa voor energie is betwistbaar en moet beperkt worden tot tweede- en derdegeneratie-biomassa met een verwaarloosbare impact op het ecosysteem. Het vormt niet de basis van onze energievoorziening, maar kan nuttig zijn als aanvulling op de flexibele productie uit zon en wind.

De verbranding van biomassa is doorgaans niet efficiënt, waardoor een grote oppervlakte land nodig is om te voldoen aan de energievraag. Dit zet andere gewassen en/of bossen onder druk, met nefaste gevolgen voor plaatselijke ecosystemen en voedselvoorziening. De enorme volumes gebruikt in grote biomassacentrales, en zeker de bijstook van biomassa in steenkoolcentrales (al dan niet met subsidies), zijn problematisch en krijgen een (zeer) lage score.

Kleine biomassacentrales (minder dan 20 MW) beoordelen we iets beter omdat deze meestal draaien op lokale biomassa (bv. plantenresten of mest). De druk op bossen en landbouwgronden is hierdoor kleiner, hoewel de efficiëntie ook hier nog vrij laag is. Bij mestvergisters is het vanuit milieuoogpunt beter om de grote mestoverschotten te vermijden dan ze te moeten vergisten. Bovendien wordt hier vaak waardevolle biomassa bijgemengd, waarvoor een hoogwaardiger gebruik bestaat.
Grote en kleine biomassacentrales met warmtekrachtkoppeling (WKK) maken beter gebruik van de opgewekte energie waardoor de efficiëntie hoger ligt. Deze krijgen een iets betere score dan een gelijkaardige centrale zonder WKK.

Tot slot is er biogas afkomstig uit bv. rioolslib, waarvoor geen beter gebruik bestaat. Deze afvalstromen produceren bovendien methaangas dat een nog sterker broeikasgas is dan CO2. Het is dus beter er energie mee te produceren dan het te laten ontsnappen in de atmosfeer. Deze stroom krijgt daarom de hoogste score.

Afvalverbranding

De CO2-uitstoot is afhankelijk van de manier waarop afval wordt verwerkt tot energie, de impact op het milieu is neutraal. We moeten in de eerste plaats de afvalberg verkleinen door minder afval te produceren en meer te recycleren, maar afvalverbranding met stroomproductie en warmterecuperatie is een oplossing voor de restfractie waarvoor geen andere toepassing bestaat.

Gas

In een WKK-installatie worden zowel de warmte als de stroom gebruikt, waardoor de CO2-intensiteit lager ligt dan bij een gascentrale zonder WKK. Deze techniek scoort daarom beter dan conventionele gascentrales.
De externe factoren van efficiënt aangewend gas beschouwt Greenpeace als voorzichtig positief, vooral in vergelijking met andere fossiele brandstoffen zoals steenkool. Gas produceert een stuk minder CO2 (hoewel het lekken van het veel krachtiger broeikasgas methaan bij de ontginning deze CO2-winst teniet kan doen) en kan dankzij haar flexibiliteit dus tijdelijk een rol spelen in de transitie naar 100% hernieuwbare energie.

Waterkracht

Ook water kent een brede waaier aan toepassingen voor de productie van elektriciteit, de score verschilt dan ook naargelang de gebruikte technologie.
De meeste waterkracht wordt geproduceerd met een reservoir. We onderscheiden hierbij grote waterkrachtcentrales (>10 MW), die een enorme impact hebben op ecosystemen en vaak leiden tot gedwongen volksverhuizingen, van kleine waterkrachtcentrales (≤10 MW), die een beperkte impact hebben. Centrales waar overschotten uit bv. inflexibele nucleaire of steenkoolcentrales gebruikt worden om water naar een hoger gelegen reservoir te pompen om stroom te produceren op een later moment, worden niet als waterkracht gerekend.
Daarnaast kan ook waterkracht opgewekt worden op een rivier, waarbij de productie varieert met het debiet van de rivier. Deze installaties zijn meestal kleinschalig, waardoor de impact op het milieu en ecosystemen erg beperkt is.
Tot slot lenen ook golfslag en getijden zich tot de productie van waterkracht. Deze technologieën staan nog in hun kinderschoenen en verder onderzoek naar hun impact op het marien ecosysteem is nodig. Voorlopig krijgen deze vormen van waterkracht de hoogste score.

Zonne-energie (PV en thermisch)

Zonne-energie uit fotovoltaïsche panelen (PV) is een klimaat- en milieuvriendelijke manier van energieopwekking. Ze kan al op kleine schaal toegepast worden en is daardoor uiterst geschikt voor de democratisering van onze stroomproductie. We beschouwen de externe milieueffecten als voorzichtig positief dankzij de vergevorderde recyclage van zonnepanelen.
In gebieden met zeer veel zon kan geconcentreerd zonlicht een vloeistof verhitten waarmee elektriciteit (via stoomturbines) en warmte geproduceerd wordt. Sommige installaties kunnen deze vloeistof langere tijd op hoge temperatuur houden, waardoor ook ‘s nachts elektriciteit kan worden geproduceerd. Het intensief gebruik van water in de stoomcyclus kan een probleem vormen in landen met waterschaarste, maar hiervoor bestaan oplossingen zoals de combinatie met ontzilting of alternatieve installaties die geen water gebruiken. Deze technologie krijgt dan ook een hoge score.

Wind

Windmolens op land (onshore) zijn intussen een competitieve en duurzame energiebron. De inplanting ervan wordt bij voorkeur georganiseerd in overleg met de omwonenden en lokale besturen, zodat de impact op mens en milieu tot een minimum beperkt wordt. Via coöperatieve participatie kunnen burgers ook financieel profiteren van windenergie en zo bijdragen aan de democratisering van onze stroomproductie.
Wind op zee (offshore) blijft kapitaalintensief – hoewel recent een sterke prijsdaling is ingezet – maar levert wel meer stroom op door de betere windkwaliteit en het hoger aantal winduren. De impact op het ecosysteem is erg laag – sterker nog, rond de huidige windmolenparken vormen zich nieuwe ecosystemen doordat de natuur er opnieuw haar gang kan gaan, ongestoord door andere activiteiten zoals zandwinning.