Methodologie

1 Belgische energierevolutie

In november 2016 presenteerden Greenpeace, WWF en Bond Beter Leefmilieu Our Energy Future, een becijferd scenario voor de Belgische energierevolutie. Dit energieplan vormt de basis van dit klassement van stroomleveranciers. Zo is de categorisering van de verschillende energiebronnen in vier groepen gebaseerd op de aannames in Our Energy Future.

De hoofdlijnen van de studie Our Energy Future zijn duidelijk – en werden eind 2015 bevestigd op de klimaattop in Parijs: fossiele brandstoffen en nucleaire energie moeten plaatsmaken voor hernieuwbare energie, met een beperkte rol voor biomassa. Om die transitie mogelijk te maken, kunnen we tijdelijk – reeds gekende – gasvoorraden aanspreken.

De overheid speelt een belangrijke faciliterende rol in de transitie. Er is immers nood aan een duidelijke langetermijnvisie, betrouwbare financiering, een slimme technologiekeuze die vooral inzet op wind- en zonne-energie, een coherent ruimtelijk kader, en ruimte voor burgerparticipatie. De uitvoering van de energierevolutie is echter voor rekening van bedrijven, coöperaties en burgers. Hun positie in de transitie valt af te lezen aan hun huidige stroomproductie maar ook hun investeringen in toekomstige capaciteit. Het klassement van stroomleveranciers neemt dan ook beide in rekening en geeft iedere leverancier een score. Hoe hoger de score, hoe groter het aandeel hernieuwbaar in de productie of aankoop van energie, en in de investeringen.

Op de klimaattop in Parijs (COP21) eind 2015, werd overeengekomen om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5°C. Dit vereist een ambitieuzer energiebeleid, en dit werd ook vertaald in de methodologie van 2016. Zo zijn we strenger voor fossiele brandstoffen, met name voor de meest schadelijke vormen als teerzandolie, schaliegas, of olie en gas afkomstig uit het noordpoolgebied.

2 Methodologie klassement stroomleveranciers

1. Berekening score energieleverancier

Voor de berekening van het klassement van 2017 gebruiken we de gegevens van 2016. Dat is de enige manier om de productie en investeringen correct in te schatten en een eerlijke vergelijking te maken tussen leveranciers. Leveranciers die pas in de loop van 2017 actief zijn geworden, zijn hierdoor niet opgenomen in de ranking. Om hieraan tegemoet te komen is een beperkte actualisering gepland in het voorjaar van 2018, om zo nieuwe leveranciers snel te kunnen opnemen. Een volledige actualisering is gepland na één jaar, met gebruik van de cijfers voor 2017 en waarbij de methodologie (beperkt) kan bijgestuurd worden om te beantwoorden aan nieuwe evoluties in de elektriciteitsmarkt.

Iedere leverancier in dit klassement krijgt een score op 20, verdeeld over investeringen (50%), eigen productiecapaciteit en/of aankopen van elektriciteit (35%), en de geleverde brandstofmix (15%).

1.1. Investeringen

De helft van de punten vallen te verdienen op de investeringen in productiecapaciteit. Dit is voor Greenpeace het belangrijkste luik, aangezien dit de richting bepaalt waarin de leverancier zal evolueren. Klanten hebben bovendien het recht te weten welke keuzes hun leverancier maakt voor de toekomst. Investeringen in bijkomende hernieuwbare capaciteit leveren de beste score op.

Het niveau aan nieuwe investeringen wordt echter afgezet tegen de huidige productie, dit om een te grote invloed van beperkte investering te vermijden (bv. leverancier A heeft tien steenkoolcentrales van 500 MW en plaatst één windmolen van 2 MW; deze nieuwe investering weegt erg licht ten opzichte van de huidige productie, wat zich zal tonen in de totale score). Hiervoor wordt een Investment Ratio (IR) gehanteerd die de verhouding weergeeft tussen investeringen enerzijds en de gecombineerde omvang van eigen productie en aankoop anderzijds. Indien de IR=1 (of hoger), dan investeert het bedrijf (minstens) zo veel als nodig is om haar huidige verkoop ook voor de toekomst toe vol te houden (dit door vervanging van productiecapaciteit die uit bedrijf wordt gehaald). Indien de IR<0,5 wordt een correctie toegepast en wordt eveneens rekening gehouden met de bestaande productiecapaciteit en de aankoop van elektriciteit.

Sommige leveranciers investeren niet in productiecapaciteit. In dat geval worden enkel de bestaande productiecapaciteit en de aankoop van elektriciteit gehanteerd als indicatie. De maximumscore is met andere woorden beperkt tot 15/20, indien zowel de eigen productie als de aankopen een perfecte score behalen. Om de in Parijs gemaakte klimaatafspraken te realiseren, moet de komende jaren immers sterk geïnvesteerd worden in bijkomende hernieuwbare capaciteit.

De categorie Investeringen werd voor het klassement van 2017 in belangrijke mate aangepast, met name door de toevoeging van de categorie “Desinvesteringen” (“Divestments”). Bovendien is een opsplitsing gemaakt tussen investeringen in capaciteit die de voorbije twee jaar in bedrijf genomen is en investeringen die de komende twee jaar in bedrijf zal worden genomen (grid connection). Bij investeringen gaat het niet om afschrijvingen maar wel om de grid connection.

Hierdoor bestaat deze categorie nu uit drie subcategorieën die samengevoegd worden:

  • New investments: grid connection gedurende de voorbije twee jaar;
  • Planned investments: grid connection binnen de komende twee jaar; en
  • Divestments uit steenkool-, bruinkool- en kerncentrales. Dit is het vermogen dat uit bedrijf genomen is gedurende de voorbije twee jaar. We hebben hier een groot gewicht aan gegeven en beoordelen dit even positief als investeringen in bijvoorbeeld wind- of zonne-energie (d.w.z. de hoogste score van 5/5). Desinvesteringen kunnen evenwel maximaal voor de helft van de categorie Investments meetellen. Dit betekent dat een leverancier die enkel milieubelastende centrales sluit maar niet investeert in hernieuwbare energie geen maximale score kan halen voor de categorie Investeringen.

1.2. Eigen productie en/of aankopen

Het totaal van de eigen productiecapaciteit en de aankopen van elektriciteit (zowel op de markt als rechtstreekse aankopen bij producenten) is goed voor 35% van de punten. De productiecapaciteit is de optelsom van het vermogen van de elektriciteitsinstallaties die de leverancier in kwestie in zijn bezit heeft in Europa.

Niet elke energieleverancier produceert ook al de energie die hij verkoopt. Indien de leverancier meer dan 20% van zijn elektriciteit aankoopt om in de vraag van zijn klanten te voorzien, vragen we ook de herkomst van de aankoop mee te delen. Indien kan worden aangetoond dat deze elektriciteit aangekocht wordt bij een bepaalde leverancier, krijgt dit de bijhorende score per energiebron. Indien de herkomst niet wordt vrijgegeven dan wordt verondersteld dat de stroom werd aangekocht op de elektriciteitsmarkt en wordt de productiemix van de Europese markt, zoals meegedeeld door ENTSO-E, gehanteerd. Hierbij houden we geen rekening met de Garanties van Oorsprong (deze worden wel in rekening genomen bij de brandstofmix bij levering, zie verder).

1.3. Energiemix

De resterende 15% van de punten gaan naar de brandstofmix. Hier wordt dus rekening gehouden met de Garanties van Oorsprong (GO). Dit gebeurt op basis van de cijfers die bedrijven rapporteerden aan de Belgische regulatoren (VREG, CWAPE, BRUGEL). Voor dit klassement werden voor heel België de gegevens van de VREG gehanteerd, aangezien deze voor 2016 de meest recente informatie heeft gepubliceerd.

We hanteren de methode zoals toegepast door de VREG (http://www.vreg.be/nl/herkomst-stroom). De methode wordt verder toegelicht in het brandstofmixrapport: http://www.vreg.be/site/default/files/document/rapp-2016-04.pdf. Het gaat hier om de leveranciersmix en niet om de productmix (dus slechts één mix per leverancier voor alle leveringsproducten). Het betreft alle geleverde elektriciteit van de leverancier, zowel via het distributienet als het transmissienet.

De GOs zijn omstreden, omdat het leveranciers in staat stelt elektriciteit uit bijvoorbeeld steenkool of kernenergie aan te kopen, vervolgens GOs van hernieuwbare elektriciteit aan te kopen, en tenslotte die elektriciteit aan de eindklant te verkopen als ‘groene’ elektriciteit – een praktijk die ook wel ‘groenwassen’ wordt genoemd. Omdat de kostprijs van die GOs erg laag is (veelal minder dan 0,1€/MWh), terwijl de kostprijs van de aankoop van elektriciteit minstens honderd keer hoger ligt (40-50€/MWh), genereert dergelijke groengewassen elektriciteit nauwelijks meerwaarde voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie.

Toch is er verbetering sinds het Greenpeace klassement van eind 2014. Het voorbeeld van de hernieuwbare elektriciteit uit IJsland op de energiefactuur is gekend (terwijl er geen connectie is voor de import van elektriciteit uit IJsland). Nieuw is dat indien IJsland GOs exporteert naar België, er in ruil ook een ‘residuele mix’ geëxporteerd wordt naar IJsland, waardoor de IJslandse consument ook ‘kernenergie’ op zijn factuur zal zien verschijnen (dit terwijl er geen kerncentrales in IJsland zijn). Omdat er een bescheiden positieve evolutie is in de GOs (mede dankzij het proactief werk van de VREG op Europees niveau) vinden we het verantwoord om 15% van de punten hieraan toe te kennen.

2. Quotering energiebronnen

Iedere energiebron wordt ingedeeld in een van vier categorieën op basis van de impact op het milieu. Hierbij wordt rekening gehouden met de CO2-uitstoot, maar ook met afval en andere externe effecten op de omgeving. Ten opzichte van de ranking van 2014 is de quotering van deze bronnen strenger geworden, als gevolg van de uitkomst van de COP21 in Parijs.

De CO2-uitstoot van de installatie is te becijferen op basis van de IPCC richtlijnen die een basis geven voor de CO2-uitstoot bij verbranding per energiebron (voor biomassa baseren we ons op The Climate Registry, voor gas op de cijfers van CE Delft (bron: CE Delft. Achtergrondgegevens stroometikettering 2013. Delft. Mei 2014). Andere externe factoren dan deze met een directe impact op de klimaatopwarming (lucht- en andere vervuiling, risico op ongeval, etc.) zijn een inschatting door Greenpeace op basis van eigen rapporten en externe input. Dit resulteert in een score op 5 voor elk van de vier categorieën (van minst tot meest duurzaam).

 

 

Ranking Sources
Group
New Factor
Nucleair
Minst duurzaam
0
Olie
0
Steenkool/bruinkool
0
Biomassa bijstook
0
Afvalverbranding
Middengroep 1
1.5
Biomassa (WKK) > 20 MW
1.5
Gas (zonder WKK)
1.5
Gas (WKK)
Middengroep 2
2.5
Biomassa <20 MW
2.5
Waterkracht (>10 MW)
2.5
Biomassa <20 MW (CHP)
2.5
Biogas (uit rioolslib of equivalent)
Meest duurzaam
5
Waterkracht (<10 MW)
5
Waterkracht (zonder opslag)
5
Zon
5
Wind
5
Aardwarmte
5
Getijden
5
Golfslag
5

2.2.1. Toelichting minst duurzame groep

Bron/Techniek
Categorie
Score
Kernenergie
CO2-uitstoot
+/-
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
--

De externe factoren bij kernenergie wegen zwaar door. Het kernafval zorgt voor een blijvend milieuprobleem met ongekende impact op de huidige en toekomstige generaties. Wanneer we de opeenvolging van ernstige kernongevallen (Three Mile Island, Tsjernobyl, Fukushima) op een rij plaatsen, is het risico op een ongeval veel groter dan geschat in de theoretische modellen die door de nucleaire sector worden gehanteerd. Volgens de nucleaire industrie zou een kernsmelt slechts één keer om de 250 jaar kunnen gebeuren, in de realiteit is dat eerder één keer per decennium. Bovendien wordt het risico  groter naarmate de bestaande reactoren verouderen. Een derde van de reactoren in de EU hebben hun geplande levensduur overschreden of naderen het einde van hun levensduur.

Tot slot blijft nucleaire energie ook een rem op de ontwikkeling van flexibele, hernieuwbare energiebronnen, waardoor kernenergie een blokkade vormt voor de hoognodige omschakeling naar duurzame energiebronnen. De impact van nucleaire energie is zo groot dat Greenpeace deze energiebron de laagste score toekent.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Stookolie
CO2-uitstoot
--
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
--

Olie is de fossiele brandstof bij uitstek. De verbranding ervan ten behoeve van elektriciteit en transport zorgt voor een groot deel van de CO2-uitstoot. De impact op het klimaat is enorm. Externe factoren die de negatieve score van olie als energiebron beïnvloeden zijn de vele olielekken zoals bijvoorbeeld in Siberië en Nigeria die bijzonder veel schade aanrichten aan de lokale en regionale ecosystemen. Bovendien zorgt het transport van de brandstof voor verhoogde risico’s op vervuiling van de mariene ecosystemen, wat  in het verleden al meermaals bewezen werd (Exxon Valdez 1985, Erika 1999, …).

Olie is geen brandstof voor de toekomst. De push richting niet-conventionele oliebronnen zoals teerzanden in Canada en boringen in het noordpoolgebied moet gestopt worden. Dit zorgt er ook voor dat elektriciteitsleveranciers die gelinkt zijn aan deze meest gevaarlijke en vervuilende olieontginning sowieso in de laagste categorie “Afgeraden” terecht komen – net als zij die in kernenergie blijven investeren.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Steenkool/Bruinkool
CO2-uitstoot
--
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
--

Steenkoolcentrales stoten naast recordhoeveelheden CO2 ook andere dodelijke gassen en gifstoffen uit (onder meer cadmium, lood, NOx, SO2, O3, …). Deze stoffen zijn verantwoordelijk voor premature sterfte en verschillende kankers. Een rapport van de Universiteit van Stuttgart schat het aantal levensjaren dat in 2010 verloren ging door steenkoolcentrales in de EU op 240.000.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Biomassa >20MW (bijstook)
CO2-uitstoot
-
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
--

Biomassa is een heel diverse en dus complexe energiebron. Greenpeace is van mening dat het gebruik ervan moet beperkt worden. Biomassa beoordelen is echter moeilijk en het meest accuraat wanneer de exacte oorsprong van de grondstof gekend is. De mogelijke externe factoren zijn immers sterk afhankelijk van de verbrande grondstof. Zo is rioolslib verwerkt tot biogas duurzamer dan houtsnippers. De oorsprong van de biomassa in een centrale is echter niet altijd duidelijk (Indien de leverancier ons gedetailleerde informatie kan verstrekken over de herkomst en duurzaamheid van de biomassa kan de score in positieve of negatieve zin aangepast worden).

De beoordeling is dus in zekere zin een vereenvoudiging van de werkelijkheid, maar aan de basis ervan liggen volgende principes:

  • Biomassa dient in volgorde van belangrijkheid gebruikt te worden om de vruchtbaarheid van de bodem te bevorderen, als voedsel, dierenvoeder (Greenpeace stelt dierenvoeding niet per definitie boven het gebruik van biomassa als energiebron. Vandaag is de veestapel te groot en het gebruik van land voor veevoeder legt een zware druk op land voedsel en bossen. Maar de extra competitie voor landgebruik door de stimulering van bio-energie verhoogt die druk nog meer) en als CO2-opslag. De opwekking van energie uit biomassa komt hierbij op de laatste plaats. Opnieuw is dit sterk afhankelijk van de grondstof die gebruikt wordt.
  • Bij voorkeur wordt biomassa verwerkt dicht bij de grondstofontginning en op kleine schaal. We hanteren hierbij 20 MW als grens tussen kleinschalige en grootschalige projecten. Dit niveau is indicatief en kan in overleg met de leverancier aangepast worden (voornamelijk voor projecten in het buitenland).
  • Biomassa speelt voor Greenpeace slechts een bijrol in de energierevolutie. We kunnen onze energievoorziening niet op biomassa baseren, maar het is wel nuttig als aanvulling op de variabele opwekking van energie met zon en wind. Door de snelle technologische evolutie (o.a. in opslag) is biomassa nu al minder cruciaal in de elektriciteitsmix dan enkele jaren geleden werd gedacht.

Over het algemeen is de verbranding van biomassa niet efficiënt, waardoor een grote oppervlakte land nodig is om te voldoen aan de energievraag. Afhankelijk van de gebruikte grondstof komen hierdoor andere gewassen en/of bossen onder druk te staan, wat nefaste effecten kan hebben op de plaatselijke ecosystemen en voedselvoorziening. Grote biomassacentrales verbranden grote hoeveelheden biomassa en zetten zo grondgebruik in hun regio of andere gebieden onder druk. Daarnaast wordt biomassa in verschillende steenkoolcentrales bijgestookt. De efficiëntie daarvan is laag en de uitstoot van deze centrales blijft problematisch. Daarom plaatsen we de grote biomassacentrales in de minst duurzame groep.

Kleine biomassacentrales quoteren we iets beter en plaatsen we in middengroep 1. De reden daarvoor is dat deze meestal werken op lokale biomassa (plantenresten, mest, …) De druk op bossen en landbouwgronden is bij biomassacentrales met een vermogen van minder dan 20 MW kleiner dan bij grote (bijstook)centrales. De efficiëntie van kleine biomassacentrales is voorlopig nog vrij laag, wat op vandaag nog een nadeel is. Bij vergisters van mest is het vanuit milieu-oogpunt te verkiezen om de grote overschotten aan mest te vermijden. Bovendien wordt vaak waardevolle biomassa bijgemengd waarvoor een hoogwaardiger gebruik bestaat.

Daarnaast is er biogas afkomstig uit slibverwerking, waarvoor geen beter gebruik bestaat. Deze stromen niet gebruiken zorgt voor de uitstoot van methaangas in de atmosfeer, een sterk broeikasgas. Het is dus vanuit milieu-oogpunt beter het te verbranden dan het te laten ontsnappen. Deze stroom krijgt daarom een hoge score van 5/5 (zie verder).

Biomassa zal een rol spelen in de toekomstige energiebevoorrading, maar voor Greenpeace kan dat enkel op kleine schaal en met tweede- en derdegeneratie grondstoffen waarvan de impact op de bestaande ecosystemen nihil is.

2.2. Toelichting middengroep 1

Bron/Techniek
Categorie
Score
Biomassa >20MW (WKK)
CO2-uitstoot
+
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
--

Een grote biomassacentrale met warmtekrachtkoppeling (WKK) maakt optimaal gebruik van de opgewekte energie (zowel elektriciteit als warmte) waardoor de efficiëntie hoger ligt dan wanneer biomassa wordt bijgestookt in een steenkoolcentrale. Een grote WKK biomassacentrale wordt daarom bij de middengroep ingedeeld.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Afvalverbranding
CO2-uitstoot
-
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+/-

Afhankelijk van de manier waarop afval wordt verwerkt tot energie is er meer of minder CO2-uitstoot. Voor externe effecten krijgt afvalverbranding een neutrale score. Ondanks het feit dat de afvalberg verder verkleind moet worden, en dat voorrang moet gegeven worden aan recyclage, is de verwerking van een restfractie van het afval tot energie (elektriciteit en/of warmte) een oplossing om het afval waarvoor geen andere toepassing bestaat te verwerken.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Gas (zonder WKK)
CO2-uitstoot
--
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+/-

Gascentrales zonder WKK laten een groot deel van hun energetisch potentieel verloren gaan door de warmte te laten ontsnappen. Deze centrales zijn in het huidige energiesysteem wel onmisbaar. Gas is en blijft belangrijk in de transitie naar 100% hernieuwbare energie.

De externe factoren worden door Greenpeace als voorzichtig positief beschouwd. De reden hiervoor is dat gas een minder zware klimaatvoetafdruk heeft dan andere fossiele brandstoffen. Het speelt ook een belangrijke rol in de transitie naar 100% hernieuwbare energie binnen ons energiescenario. De flexibiliteit van gascentrales zorgt ervoor dat gas goed samengaat met variabele duurzame bronnen als wind- en zonne-energie. Zware ‘basislast’-centrales als kolen- en kerncentrales beschikken niet over de mogelijkheid van flexibele regeling.

2.3. Toelichting middengroep 2

 

(Deze groep scoort iets hoger dan middengroep 1.)

Bron/Techniek
Categorie
Score
Gas (met WKK)
CO2-uitstoot
-
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

De techniek om stroom op te wekken via aardgas met WKK krijgt meer punten dan opwekking via conventionele gascentrales. Bij de opwekking van stroom in een verbrandingscentrale komt ook warmte vrij. In een conventionele centrale gaat deze warmte verloren; in een WKK-installatie krijgt de warmte een nuttige toepassing. Een WKK bespaart energie ten opzichte van gescheiden opwekking van stroom en warmte in een conventionele elektriciteitscentrale en een verwarmingsketel. De totale CO2-uitstoot is dan ook lager.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Biomassa < 20MW (WKK)
CO2-uitstoot
+
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+/-

Idem voor kleinschalige biomassa-installaties (<20 MW) met WKK.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Grootschalige waterkracht >10MW
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
-

Dit type waterkracht maakt gebruik van een reservoir. De technologie staat op punt. De grote schaal van sommige waterkrachtcentrales hebben echter een enorme impact op de omgeving. Zulke projecten leiden tot gedwongen volksverhuizingen en hebben een grote (blijvende) impact op bestaande ecosystemen. Het externe milieu-effect wordt daarom negatief beoordeeld.

2.4. Toelichting meest duurzame groep

 

(Deze groep scoort het hoogst van alle energiebronnen en krijgt 5/5.)

Bron/Techniek
Categorie
Score
Biogas uit rioolslib of equivalent
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

Een bijzondere vorm van energie is biogas afkomstig uit slibverwerking, waarvoor geen beter gebruik bestaat. Deze stromen niet gebruiken zorgt voor de uitstoot van methaangas in de atmosfeer, een sterk broeikasgas. Het is dus vanuit milieu-oogpunt beter het te verbranden dan het te laten ontsnappen.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Fotovoltaïsche cellen
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

Zonne-energie is een milieuvriendelijke manier van energieopwekking. De recyclage van zonnepanelen is vergevorderd, waardoor we het externe milieu-effect als voorzichtig positief quoteren.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Geconcentreerde zonne-energie
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

Geconcentreerde zonne-energie wordt vooral gebruikt in gebieden met zeer veel zon (Zuid-Spanje, Noord-Afrika, …). Via spiegels wordt zonlicht geconcentreerd vloeistof te verhitten tot hoge temperaturen, die kan gebruikt worden voor de productie van warmte of om stoomturbines aan te drijven en zo elektriciteit te produceren. Sommige installaties kunnen de warmte opslaan op hoge temperatuur, waardoor ook ’s nachts elektriciteit kan worden geproduceerd. In landen die kampen met een waterschaarste kunnen deze zonnecentrales een probleem vormen omdat de meeste water gebruiken in hun stoomcyclus. Het is wel mogelijk de centrale te combineren met ontzilting, waardoor drinkbaar water van zeewater kan worden gemaakt. Er bestaan tot slot ook alternatieven die geen gebruik maken van water.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Onshore Wind
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

Windmolens op land zijn intussen een competitieve en duurzame energiebron. Door de inplanting van windmolens te organiseren in overleg met de omwonenden en gemeentebesturen kan de impact op de omgeving geminimaliseerd worden. De impact op de natuurlijke ecosystemen in de directe omgeving van de windmolens blijft beperkt, zeker in vergelijking met fossiele brandstoffen of kernenergie. Greenpeace geeft dan ook een positieve score voor externe milieueffecten.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Offshore Wind
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

Wind op zee blijft een kapitaalintensieve aangelegenheid, maar die windmolens leveren wel meer energie op. Recent is een sterke daling van de kostprijs ingezet. De impact op de ecosystemen in de directe omgeving van de windmolens op zee is erg laag – sterker nog, rond de huidige windmolenparken vormen zich nieuwe ecosystemen.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Waterkracht op rivier
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+

Waterkracht opgewekt op een rivier is afhankelijk van het debiet van de rivier, wat per seizoen kan variëren. Dit type waterkracht is meestal kleinschalig. De impact op het milieu en het ecosysteem is erg beperkt. Greenpeace steunt dit type waterkracht.

Bron/Techniek
Categorie
Score
Kleinschalige waterkracht <10MW
CO2-uitstoot
++
Externe factoren (afval, sociale impact, andere uitstoot dan CO2,…)
+/-

Dit type waterkracht maakt gebruik van een reservoir. De technologie staat op punt. Op kleine schaal blijft de impact van dit type waterkrachtcentrale meestal beperkt.